Welkom op de website Chorale Allégresse
— dragend van het label "Afrikaanse gospel" —
Afrikaans (bn.), uit of van Afrika; -(in bep. verband) Zuid-Afrikaans.
Afrikaans (o.; g.mv.), taal, gesproken in Zuid-Afrika, een voortzetting van de taal die de Nederlandse kolonisten in de zeventiende eeuw invoerden.
Afrikaan (m.; Afrikanen), (Afrikaanse (v.)) (oorspronkelijke) bewoner van Afrika.
gospel (m.; -s) [Eng., van Oud-Eng. gõd (goed) + spell (boodschap)], 1 gospelsong; 2 gospelmuziek; -lied (o.), gospelsong; muziek (v.); -singer (m.;-s) [<Eng. gospel singer], zanger(es) van gospelmuziek; -song (m.) [Eng.], op het evangelie gebaseerd, godsdienstig lied van Amerikaanse negers.
Koor (Chorale)
koor (o.; koren; -tje) [<Lat. chorus <Gr. choros], 1 (oorspr.) (bij de oude Grieken) met zang verbonden dans ter ere der goden, door verscheidene personen uitgevoerd; - (later) een van de hoofdbestanddelen van het treur-en blijspel, syn. rei: het koor in Vondels Pascha; 2 groep van personen die een gezang als onder twee genoemd uitvoeren, syn. zanggroep: het koor der Maatschappij van Toonkunst; een dubbel koor, twee vierstemmige koren; een gemengd koor, zie bij gemengd; (bij verg.) een koor van engelen; - (r.-k.) afdeling van een hiërarchie van engelen; - (bij uitbr.) ben. voor een groep van personen, dieren of zaken van dezelfde gesteldheid, zonder gedachte aan muziekale uiting: (stoomw.) het zwarte koor, de stokers.
Vrolijkheid (Allégresse)
vrolijk (bn.; -er, -st) [~Russ. Pryg (sprong)], in lichte stemming, syn. opgeruimd, blij, jolig, uitgelaten: vrolijk zijn; vrolijk zingen; (als karaktereigenschap) een vrolijk mens; meisjes van het vrolijke hart, (niet alg.) van lichte zeden; de vrolijke buurt, de rosse buurt; (gez.) het is een vrolijk Fransje, een luchthartig mens; (hondensport) de staart vrolijk dragen, horizontaal uitgestrekt of naar boven gericht; -heid (v.), 1 het vrolijk-zijn; - blijdschap, opgeruimdheid; 2 vermaak, de omstandigheid dat men zich vermaakt, om iets lacht: die opmerking verwekte enige vrolijkheid; hier dicht bij huis hoort u niets als hun vrolijkheid (Van Schendel).
Van Dale Groot woordenboek der Nerderlandse taal, twaalfe uitgave 1992.
|
 |